Follow by Email

zaterdag 20 oktober 2012

WANDERBACH page 151


Without feet or legs they pull themselves forward during which the flat bottom releases on the deck planks a chirping sound as from a sick bird. To move like this has to be tiresome what maybe explains why the bent stays inert together. They don’t remind of any known life form, and it’s strange that Barg hardly reacts; as if they don’t smell.
On the disappearing shore the farmers become smaller until they emerge with the yellow stripe of beach. Tork sits down with his back against the grate and prepares for a long and boring journey. The dog drows at his feet. Although worn out after two days without sleep, too little food and a rabid run, he dares not to rest. The sea creatures don’t reassure. Since his arrival no-one said anything after: ‘welcome aboard’, and Tork feels that it will be difficult: the dancing boat in combination with tormenting fatigue. He yawns all the time until his cheekbone muscles hurt and become numb finally. He feels his strength decrease and looks dreary at the creatures, asks himself with what they fill their time. Being blissfully inactive? Who cleaned the deck so neat?
Suddenly one of them turns in his direction and tows towards him.
- ‘The crown?’, he asks, high and airy whistling that, logically and anatomically should come out of his gaping mouth but seems to escape from under his flat body. Tork pulls the headband out of his shirt.
- ‘Put it on!’ Torks’ suspicion is immediately.
- ‘Why?’
- ‘The journey will be quicker.’
- ‘What is your plan?’ The monster shakes its enormous head. 

Zonder voeten of benen slepen zij zichzelf vooruit waarbij de afgeplatte onderkant op de dekplanken een tsjirpend geluid als van een zieke vogel maakt. Zo bewegen moet vermoeiend zijn wat wellicht verklaart waarom de troep inert samen hokt. Ze herinneren niet aan enig bekende levensvorm, en het is vreemd dat Barg nauwelijks op hen reageert. Alsof ze geen geur hebben.
Op de verdwijnende oever worden de boeren steeds kleiner tot ze opgaan in de gele reep strand. Tork gaat met de rug tegen het dolboord zitten en bereidt zich voor op een lange saaie reis. De hond soest aan zijn voeten. Hoewel doodop na twee dagen zonder slaap, te weinig voedsel en een dolle vlucht, durft hij niet te rusten. De zeewezens boezemen geen vertrouwen in. Sinds zijn aankomst zei niemand nog iets na het: ‘Welkom aan boord’, en Tork voelt dat het moeilijk wordt: de deinende boot in combinatie met martelende vermoeidheid. Hij gaapt doorlopend tot zijn kaakspieren pijn doen en tenslotte gevoelloos worden. Hij voelt hoe zijn krachten afnemen en kijkt mistroostig naar de wezens, vraagt zich af waarmee zij hun tijd doorbrengen. Met zalig nietsdoen? Wie ruimde het open dek zo keurig op?
Plotseling draait een van hen in zijn richting en sleept naar hem toe.
- ‘De kroon?’, vraagt hij met een hoog iel gefluit dat anatomisch logischerwijs uit de gapende muil moet komen maar lijkt te ontsnappen van onder het afgeplatte lijf. Tork haalt de hoofdband tevoorschijn.
- ‘Zet hem op!’ Torks’ wantrouwen is onmiddellijk gewekt.
- ‘Waarom?’
- ‘Dan gaat de reis vlugger.’
- ‘Wat zijn jullie van plan?’ Het gedrocht schudt de kolossale kop.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten