donderdag 17 januari 2013

WANDERBACH page 235-237 (end chapter 18)


- Do you really dare to state that this lasts until eternity?’
Tork drops fatigued. While he talked and was being dragged by his argumentation a lot became clear. Aware of the larger connection his words rattled like bullets on the collected Gods that seem to give less light and shrink.
Tork rubs his eyes. Yahweh has become pale. The others seem sorrowful.
- ‘He is right,’ Vishnu whispers, ‘we have failed. They created us, stayed faithful while we extended our power on their behalf. We have failed!’ he suddenly wails loud, and turns furious towards Yahweh. ‘What do you stand here? We have to do something!’
- ‘Too late,’ the supreme God hums. ‘The mortal knows our biggest fear, yet there are still who fight; a disappearing minority. It can’t be repaired. Our priests could do what they wanted because we believed to enlarge our followers through them. They betrayed us,’ he ends angry.
Tork gets up. ‘Don’t blame others again! You betrayed yourself. You call your followers worms, is it therefore no justice that those Gods of worms become worms themselves! You got what you desired so long. Yearning your tall body, not for power but hoping for a little pity from those who created you.’
In one move Tork throws off the bag. The light is dimmed to bearable proportions. The God-community shrinks and everything around shrinks as well.
The table slowly descends to the floor and he jumps down. The light blinks, glows again bright, extinguishes and sets the seventh in complete darkness.
Tork looks around alarmed. Does he see well? Things are starting to fade; the during centuries kept illusion is disappearing. Just once he watches the confused swarming Gods that shrink more and more and already aren’t much taller than he, then he runs through the hall of which the walls move towards each other and jumps into the hole for the staircase. 

page 237; the seventh level

- Durft u werkelijk beweren dat dit eeuwig standhoudt?’
Tork zakt uitgeput neer. Terwijl hij sprak en meegesleept werd door zijn betoog werd veel duidelijk. Bewust van het grotere verband ratelden zijn woorden als kogels op de verzamelde Goden die minder licht lijken te geven en ineenkrimpen.
Tork wrijft zijn ogen. Jahweh is bleek geworden. De anderen lijken verdrietig.
- ‘Hij heeft gelijk,’ fluistert Vishnoe. ‘We hebben gefaald. Zij bedachten ons, bleven ons trouw terwijl wij onze macht uitbreidden ten koste van hun. We hebben gefaald!’ jammert hij plotseling luid, en keert zich woedend tot Jahweh. ‘Wat sta je daar! We moeten iets doen!’
- ‘Te laat,’ bromt de oppergod. ‘De sterveling kent onze grootste vrees, al zijn er nog die zich verzetten. Een verdwijnende minderheid. Het kan niet worden hersteld. Onze priesters hadden vrij spel omdat wij geloofden met hen onze aanhang te vergroten. Zij hebben ons verraden,’ besluit hij boos.
Tork veert recht. ‘Schuif niet weer de schuld op anderen! Jullie hebben jezelf verraden. Jij noemt jouw aanhang wormen, is het dan niet logisch dat de Goden van deze wormen zelf wormen worden! Jullie kregen wat je al zolang begeert. Reikhalzend jullie lange lijf, niet voor macht maar in de hoop op een beetje medeleven van hen die jullie bedachten.’
Met één beweging werpt Tork de frietzak van zich af. Het licht is gedimd tot draaglijke proporties. De godengemeenschap krimpt en alles rondom krimpt mee.
De tafel zakt langzaam naar de vloer en hij springt er vanaf. Het licht flakkert, gloeit opnieuw fel op, dooft en dompelt het zevende in totale duisternis.
Verontrust kijkt Tork rond. Ziet hij het goed? De dingen beginnen te vervagen. De eeuwen in stand gehouden illusie is bezig te verdwijnen. Nog eenmaal kijkt hij naar de in verwarring door elkaar krioelende Goden die steeds verder krimpen en al niet ver meer boven hem uitsteken, dan rent hij door de zaal waarvan de wanden naar elkaar toekomen en duikt in het gat naar de trapzaal.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten